Composities
Terre de Flandre/Vlaanderland
(2008)
Type: klein ensemble
Duur:
Bezetting: 6 spelers (diverse oude vergeten instrumenten)
Muzikanten
- Wim Konink: percussie, contrabassaxhoorn
- Christophi Morisset: serpent, ophiclëide, saxtrombone, saxhoorn
- Kristof Roseeuw: contrabas, cornet
- Stefaan Smagghe: viool, bassaxhoorn
- Thomas Smetryns: hommel, zither, fluit, altsaxhoorn
- Heleen Van Haegenborgh: harmonium, piano, accordeon, cornet
Vergeten klanken
In 2007 organiseerde Resonant (Centrum voor Vlaams muzikaal erfgoed) en het Festival van Vlaanderen in samenwerking met de Provincie Oost-Vlaanderen, ‘de Queeste, een zoektocht naar muzikaal erfgoed in Oost-Vlaanderen’. Tal van oude partituren en intussen onbespeelbaar gewaande muziekinstrumenten zoals een 18e eeuws serpent (een slangvormig blaasinstrument), en een zeldzame saxtrombone kwamen uit zolders te voorschijn.
Na de queeste volgt nu ‘de queeste revisited’. De jonge hedendaagse componist Thomas Smetryns (°1977) kreeg de opdracht van het Festival en de Provincie Oost-Vlaanderen om het gevonden materiaal als uitgangspunt te nemen voor een nieuwe compositie.
Thomas Smetryns, leerling van Godfried-Willem Raes (maar ook: luitist en theorbespeler geschoold door Ida Polck en Philippe Malfeyt, én DJ met uitsluitend 78-toerenplaten), is sterk beïnvloed door de Amerikaanse experimentele muziek van de jaren ’60 met componisten als John Cage, Alvin Lucier, Alvin Curran en Morton Feldman.
Wat hem fascineerde bij zijn voorbereiding van deze bijzondere compositie-opdracht, was de enorme verscheidenheid aan instrumenten en hun uiteenlopende, vaak vergeten klankkleuren. Maar ook de verscheidenheid aan sociale contexten waarbinnen muziek en samen musiceren een plaats en functie had.
In zijn compositie heeft hij getracht het vergeten klankpotentieel van het traditionele instrumentarium opnieuw aan te boren. Hierbij was het hem niet om virtuositeit te doen, maar veeleer om het menselijke en maatschappelijke aspect van muziek maken, toen en nu. De composities trachten op tal van manieren de interpretatieve creativiteit van de muzikanten te prikkelen en hun uitvoeringspraktijk op zo’n manier te beïnvloeden dat het menselijke van musiceren naar de voorgrond komt, door bijvoorbeeld de rafelranden van het instrument te laten horen.
De traditionele Vlaamse muziek – in de 19e eeuw heette het: la musique flamande – diende als ruw materiaal en voedingsbodem voor hedendaagse stukken, evenwel gecomponeerd vanuit een radicaal 21e eeuwse – vaak eclectische – benadering. Thomas Smetryns sampelt hierbij niet zozeer muziek, dan wel muzikale contexten.
Domenica in Palmis is bijvoorbeeld een fictieve misviering voor palmzondag. De ruggegraat van deze compostie is een repetitieve Gregoriaanse melodie die in de Rooms-katholieke liturgie op palmzondag werd gezongen. Deze melodie wordt vertraagd en in wisselende arangementen gespeeld door een trio bestaande uit serpent, contrabas en harmonium, een instrumentarium dat ook in de voorbije eeuwen werd gebruikt ter begeleiding van misvieringen.
Als pendant van dit introverte en devote stuk fungeert Dimanche des palmes (palmzondag), een piano-arrangement van Domenica in Palmis. Deze pianobewerking klinkt virtuoos en resonant, in de geest van de 19e eeuwse pianobewerkingen van religieuze muziek, zoals bijvoorbeeld de beroemde Bach-bewerkingen van Ferrucio Busoni (1866-1924), waardoor grootse koorwerken geschikt werden voor consumptie in burgerlijke salons en huiskamers.
In Quand l’appel du clairon résonne interpreteert de soloist op trombone een grafische partituur waarvan de globale lijn vertrekt vanuit het berglandschapje op de achtergrond van een 19e eeuwse prent van een jachttafereel met jachthoorns. De trombonist legt via deze lijn een parcours af van de jachtprent naar een andere oude afbeelding van een militaire kapel, en moet onderweg langzaam van de ene muzikale wereld naar de andere over zien te gaan. Hij wordt hierbij begeleid door een kwintet van saxhoorns (contrabas, bas en alt) en cornetten, gespeeld door de andere leden van het ensemble. Ter begeleiding van de trombone-solo spelen ze fragmenten uit een mars van Justin Muldermans (1843-1921, luitenant van het 4e linieregiment te Brugge), getiteld Les soldats du Roi. Hun gebrek aan techniek resulteert niet in de door Muldermans verhoopte zuivere toon, maar in een geïntoneerde en ternauwernood gecontroleerde luchtstroom. Dit spel met de grenzen van de muzikanten levert niet alleen een boeiende worsteling op van een muzikant met een instrument dat hij niet beheerst, maar verwijst ook naar de klachten van 19e en vroeg 20e eeuwse componisten over de belabberde instrumentbeheersing van de militaire blaasensembles van die tijd. Die bestonden immers grotendeels uit amateurs, “jonge boeren, die lezen noch schrijven kunnen, geen benul van maat hebben en geen toonladder foutloos kunnen spelen”, zoals François-Joseph Fétis, directeur van het Brusselse conservatorium en leraar van Peter Benoit, het in 1859 misprijzend vaststelde.
Jan Frans Lambrechts (1866-1928), een stuk voor solo viool, is een huldebetoon aan de gelijknamige speelman van de Sint-Sebastiaansgilde van Kampenhout. De uitvoerder dient dit stuk te spelen in een speelhouding die typisch was voor 18e en 19e eeuwse dorpsviolisten. Deze houding verschilt radicaal van die van klassiek geschoolde muzikanten en zorgde ervoor dat zij steeds in eerste positie speelden, zonder vibrato en met een korte, non-legato boogvoering, waarbij ze vaak de onderliggende losse snaar meebespeelden.
Polka Odds is het resultaat van een zoektocht naar de gemiddelde regionale polka in het Vlaanderen van omstreeks 1900: een 20-tal polka’s werden geanalyseerd op vlak van toonaard, tempo, toonhoogte en ritmiek, op basis waarvan gemiddelden werden gedistilleerd. Deze “gemiddelde” polka’s worden gespeeld door ensembles waarvan het instrumentarium voorkomt op diverse afbeeldingen uit het begin van de 20e eeuw (accordeon, viool, contrabas, hommel/zither, saxhoorn, slagwerk en diverse fluiten). Bovendien worden deze melodieën met elkaar vervlochten en al dan niet simultaan gespeeld.
In Sonate voor ophicleïde en piano figureert de ophicleïde (of “klepserpent”), een in onbruik geraakt blaasinstrument (en voorloper van de tuba) dat werd ontwikkeld in de 19e eeuw. In deze periode werden onder invloed van de evoluerende orkestpraktijken talloze nieuwe instrumenten uitgevonden of bestaande instrumenten verbeterd. De ophicleïde bood een verbetering ten opzichte van de bestaande koperinstrumenten op het vlak van tessituur en bereik. In korte tijd werd het instrument razend populair. In 1836 wordt melding gemaakt van meer dan 60 ophicleidisten in Parijs alleen en groten als Wagner en Berlioz schreven ophicleide-partijen in hun orkestwerken. De uitvinding van ventielen voor koperblazers veroordeelde dit instrument al snel weer tot een merkwaardig 19e eeuws curiosum.
Het stuk is niet opgebouwd als een klassieke sonate, maar deze benaming alsook de melodie zelf verwijzen naar het eerste thema van de sonate voor bazuin en piano van Harelbekenaar Peter Benoit (1834-1901), wiens Fantasie n°3 opus 18 in bes overigens dienst doet als wachtmelodie wanneer men naar het kantoor van Geert Bourgeois (NV-A) belt.
Het concert besluit met het grootser opgezette Concerto voor viool en ensemble (piano / harmonium, slagwerk, contrabas, ophicleïde/trombone). Waar in Jan Frans Lambrechts de viooltechniek van de dorpsmuzikant werd overgenomen, staat in dit stuk de violist als volleerd klassieke muzikant centraal. Thomas Smetryns baseerde zich bij de compositie van dit stuk op het toonaangevende Traité d’instrumentation et d’orchestration (1843) van Hector Berlioz (1803-1869). In dit traktaat geeft Berlioz, een exponent van de 19e eeuwse romantische orkestmuziek, erg nuttige informatie over hoe typisch 19e eeuwse instrumenten als ophicleïde en harmonium in een orchestrale context behandeld dienden te worden.
Auteur: Wannes Gyselinck
Bronnen
- Boone, Hubert & Wim Bosmans, Volksinstrumenten in België, 1996, Uitgeverij Peeters Leuven.
- Boone, Hubert, Traditionele Vlaamse volksliederen en dansen, 2003, Uitgeverij Peeters Leuven.
- Bosmans, Wim, Traditionele Muziek in Vlaanderen, 2002, Davidsfonds/Leuven.
